Gevangen tussen alles en niets - Happinez
Terug naar overzicht

Gevangen tussen alles en niets

Categorie
Tekst
Marnix Pauwels
Gevangen tussen alles en niets

Marnix ligt zondagochtend in bed, zich af te vragen waarom hij altijd gevangen zit tussen vrijheid en verbinding. Waarom wil hij toch iets wat niet bestaat en wat niet kan?

Het is zondagmorgen, kwart over tien, en ik lig in bed. De gordijnen zijn open, ik zie de pastelkleurige huizen aan de andere kant van de binnentuinen. De oktoberzon glinstert fel in de ruiten. Een ekster vliegt klagerig krassend van een dak naar een boom. De wereld is druk bezig met zichzelf. En ik denk na, mijn rug tegen de kussens. Naast me een kop thee.

Ik ben alleen, en vóel me alleen. Gevangen in een eeuwig dilemma. Het is altijd zo geweest. Ik heb altijd geleefd tussen wat ik had en wat ik wilde. Steeds die twijfel tussen vrijheid en verbinding. En geen van die twee smaakte ooit precies goed. Helemaal tevreden zijn in een relatie, of juist in evenwicht als ik single was; allebei onmogelijk. Alsof wat ik zo vurig wil zich precíes bevindt op de grens tussen die twee. Als een oud station dat niet meer in gebruik is en waar ik langsrijd zonder te stoppen, mijn gezicht tegen het beslagen raam van de trein gedrukt.

Iets over half elf, en ik verlang naar alles wat ik – als ik het eenmaal heb – smorend en benauwend vind. Nu lijkt het me vooral waanzinnig fijn: vastigheid, duidelijkheid, overzicht, regelmaat. Voorspelbaarheid, vertrouwdheid. Een sierlijke nek die ik van top tot teen ken omdat ik ‘m al duizend keer heb geproefd. Billen waar ik moeiteloos mee versmelt als ik er tegenaan ga liggen. Grapjes die we samen tot in de perfectie ontwikkeld hebben. Plaagstootjes. Zuchtend zwijgen. Het met z’n tweeën één zijn.

Ik drink mijn inmiddels koude thee, en vraag me af of ik daar ooit echt van heb kunnen genieten: de fundamenten van een relatie. Word ik juist meestal niet verliefd op het bééld dat ik erbij heb, het romantische plaatje en de bijbehorende verwachtingen, in plaats van op de werkelijkheid? De keren dat ik me echt rustig en op mijn gemak voelde met een ander om me heen, zijn een zeldzaamheid. Samen kan ik niet alleen zijn.
Maar op dit moment verlang ik intens naar iemand, alleen weet ik niet wíe. Ik zie geen hoofd voor me, er hoort geen specifieke naam bij. Het is de onbekende vrouw die op dit moment vol zou maken wat leeg is. Het is de vleesgeworden warmte, het is begrip, contact, intimiteit – en natuurlijk ook de lome zondagmorgenseks. Maar het is vooral het idee dat ik het even niet meer alleen hoef te doen. Dat ze me aankijkt en haar waardering naar me glimlacht. Dat ze me bewondert, en ik haar terug. Dat we elkaar naar een hoger plan tillen, maar ook kunnen genieten van géén plan.
Op een dakterras aan de overkant maakt een buurman zijn loungemeubels schoon met een hogedrukspuit. Hij draagt een blauwe bodywarmer. Na een tijdje draait hij zich om en zegt iets tegen zijn vriendin die net met een dienblad met daarop twee mokken omhoog is gekomen. Hij doet of-ie haar nat gaat spuiten. Ze lachen.

Ik ben jaloers.

Ik ben jaloers op wat zij samen kunnen hebben, niet op wát ze hebben. Jaloers op hun vermogen een stel te zijn. Ik zou willen dat ik het kon, die totale overgave aan het gewone, de duidelijke regelmaat. Het lef om te kiezen voor het gedeelde leven, ook al is het vaak genoeg saai en voorspelbaar en bloedeloos. Kijken hoe ver je samen kunt komen, en ondertussen stiekem geloven dat het voor altijd is. Niet continu twijfelen, niet steeds denken dat het alsnog anders moet zijn dan het is.

Maar het is duidelijk: ik wil iets wat niet bestaat en wat niet kan. Want als het te vrijblijvend is voel ik me onzeker, en als het te vast wordt voel ik me bedreigd. En bovendien ben ik Marnix. Ik heb nu eenmaal heel veel tijd nodig om te denken, te schrijven, te mijmeren, te dichten, te treuren, zoeken, vinden en herkauwen. Ik heb behoefte aan dat gevoel van galmende eenzaamheid, die ruimte die soms pijn doet. Ik moet kunnen doen wat ik wil, en kunnen verlangen naar wat ik niet heb. Dit is mijn strijd, het laveren tussen waar ik naar verlang, en de pijn die me prikkelt. Want of ik het nou wil of niet: ik ben een solovlieger.
Of heb ik het toch mis?

Zal ik ooit in staat zijn die onredelijke eisen te laten varen? Is het echt mogelijk op een dag over iemand te struikelen die álles waar ik in geloof in één klap doet vergeten? Is het gewoon een kwestie van oefenen en proberen en ploeteren, hoe dan ook? Wie ben ik eigenlijk om me nu al neer te leggen bij de stagnerende ontwikkeling van mijn liefdesleven? Wie ben ik trouwens überháupt?!
En dus kijk ik weer even naar buiten, om zes over elf, op zondagochtend. Het stel op het dakterras aan de overkant is gaan zitten, dicht tegen elkaar aan. Hij zoent haar, ze kust terug. Een wolk blijft even kijken, de zon zorgt voor een gouden omlijsting.

Ooit staren we er samen naar.

Dit vind je vast ook leuk