Hoe je troost kunt vinden in de woorden van Albus Perkamentus - Happinez
Terug naar overzicht

Hoe je troost kunt vinden in de woorden van Albus Perkamentus

Categorie
Tekst
Anne Wesseling
Hoe je troost kunt vinden in de woorden van Albus Perkamentus

Anne Wesseling zoekt de mooiste inzichten voor je uit in het gedachtengoed van filosofen en andere inspirerende figuren. Deze week vindt ze troost in de woorden van Albus Perkamentus.

Hoe kan ik goed leven? Hoe word ik gelukkig? Hoe leer ik mezelf kennen? In de zoektocht naar (zelf)kennis dragen alle filosofen een steentje bij. Anne Wesseling zoekt de mooiste inzichten voor je uit. Deze week… troostende woorden van Albus Perkamentus.

Ik zat in de kroeg met mijn oom en dat was voor het laatst, want over een paar dagen zou hij er niet meer zijn. Mijn oom, dan. Hij wilde daar niet dramatisch over doen, en daarom deden we alsof er niks aan de hand was. Behalve dat hij een sigaret opstak, wat in een kroeg natuurlijk niet mag, maar het was zijn stamkroeg en niemand deed er moeilijk over.
‘Let je wel op je gezondheid,’ zei ik.
Daar moesten we erg om lachen, en toen nam ik er ook maar een, hoewel ik al acht jaar niet meer rook.
Daar zaten we dan. Een beetje herinneringen op te halen. Toen ik voor mijn vierde verjaardag een puppy kreeg, ging mijn oom samen met mij voor het eerst de hond uitlaten en toen het hondje zich met vier poten schrap zette omdat het niet verder durfde, tilde hij het op en nam het onder zijn arm. Toen mijn moeder in Tsjechië in het ziekenhuis lag na een ski-ongeluk, zag ik mijn oom ’s avonds laat uit een boemeltrein springen, in de sneeuw, want ‘ja, je klonk toch niet helemaal jofel aan de telefoon, dus ik dacht ik ga er maar even heen’. We gingen een dagje vliegtuigen spotten en brachten onderweg een troepje aangereden eenden in veiligheid. ‘Dat hadden wij weer,’ zeiden we dan later bij een biertje. Altijd lachen.
Nu had hij besloten dat het mooi was geweest, en hij wilde daar dus niet dramatisch over doen. En ik ook niet. Hij ging gewoon elke dag om drie uur naar z’n stamkroeg en ik kwam gewoon even langs. Iemand verderop aan de toog liet ons nog twee bier brengen.

Nog eentje dan
Geen drama. Lastig. Want je wil zo graag lieve dingen zeggen, maar als je daaraan begint, zit je voor je het weet te snotteren en dat wil je ook niet. Maar als je het niet zegt, krijg je er spijt van. Ook weer zo wat.
Toen ik jaren geleden hoorde dat het qua gezondheid niet helemaal jofel was met mijn oom, was ik thuis net ‘Harry Potter en de steen der wijzen’ aan het voorlezen. Aan het eind van dat boek legt schoolhoofd Albus Perkamentus aan Harry uit hoe het komt dat de leraar die bezeten was door de kwade Lord Voldemort zich leek te branden toen hij hem probeerde aan te raken. Het kwam door de liefde van zijn moeder, zegt Perkamentus, ’want als iemand veel van je houdt, dan laat dat een teken achter en dat blijft een soort bescherming geven, ook als die persoon er niet meer is, want het dringt door in je huid.’
Daar moest ik nu weer aan denken. Zou ik het aan mijn oom schrijven? Of toch maar niet. Het waren rare dagen. Ik liet gewoon bloemen bezorgen (want nu kan hij er nog van genieten, ja toch?) en daarna lag ik een nacht wakker want misschien stonken ze wel heel erg, of belde de bloemenman aan op een ongelegen moment. Ging ik ’s morgens mijn nichtje mailen dat ze de bloemen gewoon in de kliko moest gooien hoor, als het niet uitkwam. Alsof ze niks anders aan haar hoofd had. Vervolgens mailde ik mijn oom tóch over Perkamentus, en daarna ging ik me weer zorgen maken, omdat je dat soort briefjes natuurlijk met de hand moet schrijven. En dan dát weer stom vinden, want daar gaat het toch niet om?
De onbeholpenheid, dat hoort er ook bij. Er ging van het hele gebeuren ergens ook een enorme troost uit. Want uiteindelijk gaat het in het leven om samen in de kroeg zitten en een biertje drinken. Een bange puppy onder je arm nemen. Niet te ingewikkeld doen. ‘Geniet van het leven. Wees goed voor elkaar.’ Misschien was mijn oom daarom zo onbevreesd. Omdat hij dat altijd al deed.
En ergens is dat prachtig. Dat je kunt zeggen ‘mensen, het is mooi geweest, de mazzel!’ en dan de dood het laatste stukje tegemoet kunt lopen. Alsof je met de honden de duinen in gaat.
Dat het kan. Dat het mag. Wat een cadeau is dat!

Ozonlaag
Maar goed, Perkamentus! Want je kunt het allemaal mooi bedenken, maar als dan alles achter de rug is en je trekt thuis een biertje open, dan zit je toch ineens met een enorm gat in je ozonlaag.
Het was niet eens de wetenschap dat ik van hèm hield, die erin hakte, want je kunt nog steeds van iemand houden, ook als die er niet meer is. Maar er was nog een groter gemis: hij hield ook van mij. En de mensen die van je houden, die houden je in de lucht. Je hebt het niet eens door. Dat hoeft ook niet. Maar als er iemand verdwijnt die van jou houdt, dan ben je plotseling zo kwetsbaar. Het voelt alsof je een beschermlaag kwijt bent.
Nu snapte ik pas hoe troostend die woorden van Perkamentus eigenlijk zijn: die mensen die van je houden, brengen een soort beschermlaag aan en die verdwijnt niet, die blijft, die zit in je huid. Voel maar. Het is een onzichtbare laag die je beschermt tegen pijn en die zorgt dat je niet alleen maar overgeleverd bent aan de grillen van het noodlot. Iets waar je altijd op kunt terug kunt vallen. Alsof er, juist als je een beetje eenzaam in de tuin staat, ergens toch nog altijd iets of iemand is die je op zo’n moment optilt en geruststelt, en zegt: rustig maar, ik draag je wel even. Zie je wel? Je hoeft niet bang te zijn. Niet voor het leven, en ook niet voor de dood.

Ik zeg: proost.

Dit vind je vast ook leuk